Gebed

“Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven, in het midden der jaren.” Habakuk 3 : 2m

Door Ds. R. Veldman

Wanneer we de profetie van Habakuk doorlezen, dan zien we dat deze profeet Gods boodschap heel getrouw heeft gebracht.Maar we merken ook zijn zeer persoonlijke betrokkenheid bij de boodschap die hij brengt. Hij stond daar zelf niet buiten.

Als Habakuk in de geest ziet dat Jeruzalem tot een puinhoop zal worden, dat akkers en wijngaarden verwoest zullen worden door de legers van de Chaldeeën, dan zegt hij niet: “Ik heb het altijd al wel gezegd; ze zullen hun verdiende straf ontvangen; dan hadden ze ook maar beter naar mij moeten luisteren.” Nee, Habakuk is echt bedroefd. De schuld van zijn volk is ook zijn éigen schuld. Hij is een profeet die líjdt als hij de boodschap van Gods toorn moet verkondigen en die zich verhéugt als hij tot het volk mag spreken van Gods ontferming.

Er zijn heel wat mensen, die bang worden als ze denken aan de toekomst. Maar zijn wijzelf dan ook vervuld met eerbied, met ontzag voor die God, Die tot ons spreekt in allerlei omstandigheden, maar vooral door Zijn Woord? Die God, Die met ons te maken wil hebben en Die ons Zijn vrede, Zijn vriendschap nog steeds doet verkondigen?

Als dat zo is, dan drijft de vrees voor de toekomst ons niet bij de Heere vandaan, maar brengt die vrees ons aan Zijn voeten met de bede van Habakuk: “Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven in het midden der jaren?”

Als Habakuk het oordeel van God over land en volk door genade aanvaardt, dan is hij voor één ding het meest bevreesd. Niet in de eerste plaats voor dat oordeel zelf en voor het verdriet, dat het met zich mee zal brengen. Dat is verdiend, weet hij. Maar hij vreest vooral dat God Zich helemaal van Zijn volk zal afkeren. Dat zou het allerergste zijn. En daarom smeekt hij: “O HEERE (o God van het verbond), Uw werk, behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in de toorn gedenk des ontfermens”

Habakuk wist dat hij en zijn volk leefden in een tijd van goddelijke toorn. Dat is de Bijbelse naam die hij geeft aan de tijd waarin hij leefde. En in zo’n periode leven wij ook. Dat bewijzen de tékenen van onze tijd. Dat blijkt zo duidelijk uit al hetgeen zich afspeelt in de wereld en ook in ons land en in de kerk.

We zien dat overal gebeuren. Mensen voelen zich zó groot en zó sterk, dat ze God niet meer nodig hebben en aan steeds gruwelijker genotzucht geeft men zich over, waarbij de boze lústen de enige regel voor hun leven schijnen te zijn.

Als we zien op wat er in ons land gebeurt, moeten we dan niet vrezen dat de Heere van ons zal zeggen: “Laat ze varen?” Want ons volk verbreekt immers alle banden waarmee het gebonden was aan God, aan Zijn Woord, aan Zijn kerk. Veel ouderen en jongeren, zowel buiten als binnen de kerk, laten zich meeslepen op deze heilloze weg.

Dat we leven in een tijd van toorn blijkt ook daarin dat de kerk steeds meer terrein verliest en dat allerlei on-Bijbelse opvattingen vrij spel hebben. Het blijkt ook uit het feit dat er tussen hen die bij het Woord van God willen leven dikwijls zo’n ontstellende verdeeldheid heerst. Dat er zo weinig levend geloof wordt gevonden. We zijn wel bezig n om krampachtig allerlei vormen in stand te houden, maar dat de inhoud, de beléving zo dikwijls verdwenen is.

Wij moeten onszelf maar niet blinddoeken. Wij moeten echt niet denken dat wij daar nog niet mee te maken hebben. Nee, die meent te stáán, zie toe dat hij niet válle! Opdat hij niet meegevoerd zal worden met de stroom van afval en secularisatie.

Allerlei vormen van geweld en wetteloosheid dringen zich steeds meer aan ons op. Maar waar brengt het ons? Het bracht de profeet Habakuk voor God, op de knieën met de bede: “Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven.”

Zou dat ook óns gebed niet moeten zijn bij het begin van het nieuwe jaar? Als rondom ons alles wegvalt, als zóveel afvalt van de levende God, als de kerk in ons land door vele dwalingen wordt meegezogen en als er zóveel is, ook in de kring van onze eigen gemeente dat met zorg en verdriet vervult, moet dan ook óns gebed niet zijn:” Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven in het midden der jaren?”

O zeker, in allerlei kerken, kringen en groepen horen we vandaag de roep om een geestelijke opwekking. En inderdaad, er is ook niets méér nodig dan een krachtige werking en dóórwerking van de Heilige Geest, maar… wie kan zoiets máken? Wie kan zoiets organiseren? Habakuk heeft daar de Héére voor nodig en daarom smeekt hij: “Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven in het midden der jaren.”

‘Dat werk dat door U begonnen is in ons land, in de kerk, in de gezinnen, in ouderen en jongeren, behoud dat in het leven, Heere.

We kunnen hier ook denken aan het werk van de Heere in ons eigen leven. De Heere is Zijn werk in uw hart begonnen, maar soms lijkt het voor u, voor jou, alsof het allemaal niet waar geweest is. U vraagt zich af, jij vraagt je af: wás het eigenlijk wel het werk van God? Bedríeg ik me niet? Van alle kanten wordt het u en jou ingefluisterd: “Vergeet het maar, dat het een werk van de Heere is. Als het echt van de Heere is, dan zou het er in je leven wel wat anders uitzien.” Maar ook dán is er geen ander antwoord, geen andere weg, dan het gebed van de profeet:”Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven in het midden der jaren.”

Úw werk. Daar ging het om bij Habakuk en daar gaat het om bij allen die God en Zijn koninkrijk werkelijk lief gekregen hebben. Dan dragen we het werk van de Heere, niet alleen in eigen kring op het hart, maar ook wereldwijd! Dan is het ons gebed: “Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven in het midden der jaren.“ Uw werk van bekering, Uw werk van vernieuwing van zondaarsharten, van geloof in de Heere Jezus Christus, maak dat bekend in het midden van de jaren!’

Eens zal het duidelijk worden wie de Heere in Christus Jezus hebben lief gekregen en wie niet. Hoe is dat nu bij ons? Bidt het dan mee met Habakuk: Uw werk, o HEERE, behoud dat in het leven in het midden der jaren!